Bij de uitreiking van de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026
Afgelopen zaterdag werd de Ida Gerhardt Poezieprijs 2026 feestelijk uitgereikt aan Daniel Vis voor zijn bundel Aan wie, deze offers. Het juryrapport schijven de jury, dichters Roelof ten Napen en Vicky Francken, is hier te vinden. Ze schrijven:
‘Aan wie, deze offers gaat over hoe zwaar het verlangen naar leven kan gaan wegen en hoeveel moeite het kan kosten om dat verlangen volledig te omarmen.
Deze bundel, een hoogtepunt in het oeuvre van Daniël Vis, verdient het om traag te worden gelezen en herlezen, om weer te worden opgepakt en doorgegeven, zodat erover kan worden gepraat. Het is een bundel die, al doen we in de poëzie soms alsof dat niet meeweegt of meewegen mag, ervaringen bespreekbaar maakt, steun zou kunnen bieden, náást dat het afgemeten is, klank- en beeldrijk, ritmisch, indringend.
Aan wie, deze offers is kortom de welverdiende winnaar van de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2026. De jury wil Daniël Vis daarmee van harte feliciteren, en sluit graag af met een paar regels van de naamgeefster van de prijs, uit een postuum verschenen gedicht, die haast over de winnende bundel lijken te gaan:
Wij waagden éénmaal ons, het overvele ontvloden,
in ’t hart der stilte, wit van een volstrekt gemis.
Waar aanvang nam wat thans dit levend sneeuwen is,
hebben wij niets meer dan het witte blad van node.’
De Ida Gerhardt Poëzieprijs, een tweejaarlijkse prijs voor de beste Nederlandstalige dichtbundel verschenen in de afgelopen twee jaar, wordt nu voor de veertiende keer uitgereikt.
Daniël Vis (1988) is dichter en schrijver. Van zijn hand verschenen eerder de poëziebundels Crowdsurfen op laag water, Insect redux en Het weefsel. In 2022 verscheen zijn eerste roman: Een woelend lichaam. Voor zijn poëtisch oeuvre ontving hij in 2021 al de Frans Vogel Poëzieprijs.
Over Aan wie, deze offers:
‘Ik fluister soms een naam die op zoek is naar een vader.’ Aan wie, deze offers is een even meditatieve als lijfelijke bundel over de plek die iemand inneemt tussen zijn voor- en nageslacht. ‘Ben ik te jong/ om hierover te spreken?’, vraagt een stem die het heeft over het uitgeputte verlangen naar een kind, over de manieren waarop we onze ouders in onze geliefden terugvinden, over het genot, de intimiteit, de wanhoop en de spijt van samenzijn. ‘Hoe verhoudt zich spijt/ tot een natuurverschijnsel?’ De mystieke richting die Vis met zijn vorige bundel insloeg, krijgt hier een diep individuele, doorleefde textuur, ze krijgt geen gestalte in afstandelijke bespiegelingen maar in aarzelende hunkering: ‘Ik vrees de liefde die,/ enorm,/ verpletterend,// in mij/ haar plek inneemt’. Er wordt een reis gemaakt, er worden goden aangeroepen, er worden rituelen uitgevoerd. Aan wie, deze offers gaat over hoe het verlangen naar leven op ons kan gaan wegen en hoeveel moeite het kan kosten om dat verlangen te omarmen.
